Munich (2005)

Regie: Steven Spielberg | 162 minuten | drama, thriller | Acteurs: Eric Bana, Daniel Craig, Ciaran Hinds, Mathieu Kassovitz, Hanns Zischler, Geoffrey Rush, Ayelet Zurer, Michael Lonsdale, Mathiew Amalric

Hoe maak je een uitdagende, politiek zinvolle film waarin de spanningen en verhoudingen tussen Israël en Palestina een centrale rol innemen, zonder kwaad bloed te zetten? Het lijkt een hachelijke situatie te zijn, en eenieder die zo’n taak onderneemt verdient op voorhand een pluim. Spielberg doet zijn best om de materie van alle kanten gelijkwaardig te belichten, of in ieder geval om de morele waarheid niet bij één groep te leggen, en dus niet met vingers te wijzen. Hij komt niet met pasklare antwoorden, wat ook eigenlijk de enige eerlijke benadering is.

De menselijke natuur komt op verschillende niveaus aan bod. Het kwaad in de mens zèlf, bijvoorbeeld, wanneer hij als een beest tekeer gaat. Het is afschuwelijk te zien hoe enerzijds de Palestijnse terroristen zonder pardon hun gegijzelden neerschieten en anderzijds hoe Avner (Eric Bana) en zijn mannen systematisch hetzelfde doen door met foto’s slaapkamers binnen te vallen, de man in de kamer met de foto te vergelijken en, bij een match, de betreffende persoon neer te maaien. Vernederend is de scène waarin een moordenares, slechts gekleed in een badjas hiervan ontdaan wordt wanneer ze is geliquideerd. Zelf deed ze dan wel hetzelfde bij één van onze “helden”, het is huiveringwekkend om te zien dat de mens zich tot elk niveau kan laten verlagen. Als je eender wordt als je vijand in je acties, ben je dan nog wel moreel beter?

Het argument “maar zíj zijn begonnen”, al zou het überhaupt geldig zijn, lijkt bovendien ook vruchteloos, aangezien de ketting van actie-reactie oneindig lang is, en er geen makkelijke schuldenaar aan te wijzen is. Zoals een personage in de film zegt: “Denk je dat de Palestijnen het bloedvergieten hebben uitgevonden?”. De clichés en beroemde uitspraken over geweld vormen de centrale boodschap van deze film. “Een oog voor een oog maakt de hele wereld blind” zei Gandhi al. “All this blood comes back to us” en “There’s no peace at the end of this” is de conclusie van Avner.

Of de vergeldingsactie zélf goed te keuren is of niet, het netto resultaat is er niet beter op geworden. Voor iedere vermoorde terrorist is er nog een sterkere in de plaats gekomen en zijn er meer en grotere tegenacties gekomen, wat nieuwsberichten in de film ook pijnlijk duidelijk maken. Wat dan wel de oplossing is, is natuurlijk de vraag, maar door net zo te worden als de vijand lijkt het enige resultaat een oneindige geweldsspiraal te zijn. Een oplossing, zo lijkt Spielberg te willen zeggen, kan wellicht gevonden worden in de motivaties van de geweldplegers. Wat beide kanten bindt, is een verlangen naar een thuis, en de menselijke behoefte voor zijn eigen gezin en kinderen te vechten. Dit is een geliefd thema van Spielberg, en was ook bijvoorbeeld in ‘War of the Worlds’ de reden dat Tom Cruise tot verregaande (im)morele acties kon overgaan. Het eigen gezin en (gevoel van) thuis is alles voor een mens. Dit wordt in ‘Munich’ zeker van drie verschillende kanten gecommuniceerd als zijnde een essentiële drijfkracht voor de mens. Israëliërs hebben (bruut) gevochten voor een plek op aarde omdat, zo verklaart Avners moeder, niemand dit hen wilde geven. Palestijnen streven naar hetzelfde, zo horen we van een PLO-lid in de film, die stelt dat Westerlingen vaak (te) makkelijk oordelen omdat ze het gemis van een (t)huis niet voelen.

Het thuis op microniveau, het persoonlijke thuis van een gezin, komt in ‘Munich’ tenslotte als meest wezenlijk naar voren, en neemt de eerste plaats in ten opzichte van de eigen natie. Niet iedereen is hier echter aan toe. Wanneer Avner aan zijn opdrachtgever Iphraim (Geoffrey Rush) vraagt om bij hem thuis, in Amerika, het brood te breken, weigert hij. Kan een Jood zich zonder zijn “thuisland” niet waarlijk thuis voelen, en oprecht het Jodendom belijden? Spielberg hoopt van wel.

Ondanks alle interessante en zinvolle thematiek, een eigenschap die deze film verplichte kost zou moeten maken voor schoolkinderen, samen met Spielbergs ‘Schindler’s List’, is de film echter tegelijkertijd te mat en weinig uitdagend om een écht onuitwisbare indruk achter te laten. Het lijkt wel of er juist teveel ambiguïteit in de personages zit, zowel in de Palestijnse doelwitten als in de hoofdpersonages. De doelwitten blijken namelijk praktisch stuk voor stuk vriendelijke mannen te zijn, die onze helden en het publiek moeten laten twijfelen over de juistheid van de acties. Het was wellicht realistischer en interessanter geweest om de slachtoffers juist wat (schijnbaar) eendimensionaler af te beelden. Zoals regisseur Robert Bresson ooit had opgemerkt is het juist uitdagender en waardevoller om het publiek van de immoreliteit van een daad te overtuigen wanneer het slachtoffer slecht en schuldig is. Ook is er niet zozeer van een omslag of inzicht in Avners houding merkbaar. Hij is vanaf het begin eigenlijk al betrekkelijk ambivalent, waardoor er niet echt een dramatische (spannings)boog in zijn personage waarneembaar is. Het voordeel van zijn “schone lei”-karakterisering is dat het hem tot een ideale “everyman” maakt, waarmee het publiek zich prima kan identificeren. Bana speelt deze rol van goedige “familyman” die tot extreme daden overgaat uitstekend, en laat zijn reis vol frustraties en onzekerheden die van de toeschouwer zijn. Maar deze reis had nog intenser kunnen zijn, als we nog verder in Bana’s leven en psyche hadden kunnen duiken. Hetzelfde geldt tot op zeker hoogte voor de slachtoffers. Als we nog meer met hen hadden meegemaakt (goed of slecht) dan was de film, zowel als thriller en retorisch relaas, waarschijnlijk nog net even effectiever geworden.

Als op zichzelf staande thriller is de film ook te weinig dreigend en spanningsvol om de kijker echt op het puntje van zijn stoel te houden. De moorden zijn wat episodisch, en er is weinig gevaar voor eigen leven. Wanneer dit laatste element toch wordt geïntroduceerd, door enerzijds reëel gevaar, en anderzijds door toeslaande paranoia bij Avner, wordt de film wel meteen een stuk boeiender. Daarnaast zijn de scènes zelf gelukkig meestal structureel en filmisch interessant genoeg vormgegeven om de kijker geïntrigeerd te houden, en de twee uur en drie kwartier die de film duurt, ongemerkt voorbij te laten gaan. Spielberg is en blijft nu eenmaal een (meer dan) competente filmmaker, en wat minder spanning hier en daar doet daar weinig aan af. ‘Munich’ is misschien geen briljante of overweldigende film geworden a la ‘Schindler’s List’, maar is minstens zo waardevol, zeker in deze tijden, om in het filmdieet van de gemiddelde filmkijker, of liever: gemiddelde mens, op te nemen.

Bart Rietvink