Sátántangó (1994)

Recensie Sátántangó CinemagazineRegie: Béla Tarr | 439 minuten | drama | Acteurs: Mihály Vig, Putyi Horváth, Miklós Széleky B., Erika Bók, László feLugossy, Alfréd Járai, János Derzsi, Irén Szajki, Éva Almássy Albert, Erzsébet Gaál, Peter Berling

Voor het bijna zeven en half uur durende magnum opus van regisseur Béla Tarr moet een hele dag uitgetrokken worden. ‘Sátántangó’ is een kolos. Misschien ook een uitputtingsslag, maar wel een die een enorme voldoening geeft. Béla Tarrs film laat op imposante wijze het leven van een armoedig dorpje in Hongarije zien na de val van het communisme. Iedere achtergebleven bewoner wil het beste voor zichzelf, maar komt er al gauw achter dat ze elkaar nodig hebben om te overleven in barre omstandigheden.

Om ‘Sátántangó’ goed te kunnen absorberen, is het aangeraden om de film in één dag te kijken. De film komt dan echt tot leven en creëert een hypnotiserende trance. Centraal staan de bewoners van een troosteloos arbeidersdorp. Zij hebben een jaar lang hard gewerkt en willen een nieuw leven opbouwen. De twee mannen Kráner (János Derzsi) en Schmidt (László feLugossy) willen het verdiende geld stelen en vluchten. Er wordt roet in het eten gegooid wanneer de charismatische Irimiás (Mihály Vig) opeens opduikt in het dorp. Irimiás was doodverklaard en heeft grootse plannen met het overgebleven geld van de arbeiders. Een traumatische gebeurtenis zorgt ervoor dat de bewoners de handen ineen slaan en samen voor een betere toekomst willen zorgen.

De gehele film is in zwart-wit. Het gebrek aan kleur past uitstekend bij de sfeer. Er is vrijwel geen vreugde en de toekomst voor het Hongaarse dorpje is uitzichtloos. De huizen zien er vervallen uit, in de winter zijn de wegen onbegaanbaar en leeft men in isolement. De enige vorm van vermaak is drinken tot je er bij neervalt, zodat de depressieve omstandigheden even zijn verdwenen.

Béla Tarr is een meester in het zetten van een toon. De lange shots met vlakke weilanden en weinig teken van leven zorgen voor een melancholisch gevoel. De film is opgebouwd in twaalf hoofdstukken. De eerste paar secties focussen iedere keer op een ander personage. Waar het ene hoofdstuk begint, eindigt het volgende. De film vloeit heen en weer tussen verschillende perspectieven, net als de bekende dans de tango. Tarr neemt rustig de tijd om ieder karakter te introduceren en een achtergrond te geven. Zo is er Schmidt, die in het geheim plannetjes smeedt terwijl zijn vrouw Schmidtné (Éva Almássy Albert) met het halve dorp naar bed gaat. De ‘Dokter’ (Peter Berling) houdt alles nauwlettend in de gaten vanuit zijn luie stoel. Hij heeft van iedereen een dossier waarin hij aantekeningen maakt terwijl hij zichzelf volgiet met pálinka (een populaire sterke drank in Hongarije).

Ondanks dat de film gebruik maakt van lange scènes waarin weinig gebeurt, houdt ‘Sátántangó’ de aandacht vast door ieder karakter uit te werken. Halverwege de film komen de bewoners bijeen. De toeschouwer weet alles over de motieven van iedereen, terwijl ze dat zelf niet van elkaar weten. Er ontstaat spanning, zeker wanneer de mysterieuze Irimiás meer van zich laat horen. Hij heeft de touwtjes in handen. De dorpelingen zien het als de terugkeer van de duivel.

Op een briljante manier houdt Béla Tarr een film van een ongelofelijk lange duur aangrijpend. Het eerste uur laat Tarr de kijker nog even wennen aan zijn stijl. Hij beloont het geduld met intrigerende passages over verraad, hoop en verlies. De film eindigt met het hoofdstuk ‘The Circle Closes’. Het spinnenweb van verhaallijnen van ieder personage is rond. Er is in veel opzichten geen film vergelijkbaar met ‘Sátántangó’. Niet alleen door de lengte van de film, maar ook door de vele verhaallijnen die samenkomen en op een grandioze manier worden afgesloten.

Job Vijftigschild

Waardering: 5

Bioscooprelease: 22 december 1994
Bioscooprelease: 23 december 2021 (digitaal gerestaureerd, 4K)